20 april 2008

Fietsen in het niets


Op dinsdag hebben we het laatste stukje door Zambia gedaan, om vervolgens bij ht vierlandenpunt Zambia, Namibië, Botswana, Zimbabwe de pont over de Zambesi naar Botswana te nemen.Vanuit de grensplaats Kasane hebben we in vier dagen de 650 km naar Maun gereden, twee dagen in zuidelijke richting met wind van opzij, en twee dagen met een heerlijke rugwind richting west.
Botswana heeft een omvang vergelijkbaar met die van Frankrijk, er wonen maar 1,6 miljoen mensen (en 800.000 olifanten). Onderweg op de fiets kom je dan ook nauwelijks mensen tegen, alleen in een zeer beperkt aantal dorpen zie je iemand. Het fenomeen Cola-stop zullen we in Botswana even moeten vergeten.
Botswana is voor Afrikaanse begrippen een zeer welvarend land, in de steden zijn supermarkten met alles wat je nodig hebt. De meeste TdA-rijders maken hier dankbaar gebruik van om allerlei etenswaar in te slaan. Ook ik ben me te buiten gegaan aan verse melk, chocolade, gebak en andere geneugten.
Mijn vorm is momenteel top.Er zijn geen medische probleempjes meer waar ik me druk om hoef te maken, dus ik stap elke ochtend monter en fris op de fiets om de aangeboden kilometers te verorberen
Volgende week gaan we de Kalahari-woestijn doorkruisen, op weg naar Namibië. Eén van de etappes die worden aangeboden is de langste van hele Tour: 207 km naar de grens.

Brandstof in de tank


Dit stukje gaat over eten. Iets wat je in het gewone leven op gezette tijden doet, en vaak niet al te veel aandacht geeft, Je eet wat je nodig hebt, en gaat verder met waar je mee bezig was.
Tijdens de Tour d’Afrique ligt dit heel anders. Eten en drinken is van levensbelang, het is de brandstof waar de motor de hele dag op moet lopen.
Wat wordt er door een TdA-rijder op een gemiddelde dag verstouwd? Mijn ontbijt bestaat uit havermoutpap, een stuk of 4 boterhammen met jam en pindakaas en thee. Vervolgens vul je al je bidons en camel-bak met ca. 4 liter sportdrank en/of water, wordt er een aantal energie-repen in de fietstrui gedaan, en kan je op weg. Na zo’n drie uur (meestal om 10.00u al) staat de lunchtruck op je te wachten met boterhammen met tonijnsalade, tomatenensalade, pindakaas, en veel fruit. Hier wordt fors van ingenomen. Na de etappe (meestal drie uur na de lunch) staat er een grote pan soep klaar, heerlijk om de verloren gegane zouten weer een beetje aan te vullen. Hier neem ik zeker drie koppen van met weer de nodige boterhammen. Het avondeten bestaat meestal uit een zetmeel-leverancier (aardappels, pasta, rijst) en een mix van vlees en groeten. Iedereen valt hier op aan als hongerige wolven, de borden worden vol geschept, en de meesten staan al na 15 minuten in de rij voor een tweede bord.
Dit is wat vanuit de TdA-organisatie wordt aangeboden, maar iedereen vult dit op zijn eigen wijze aan. Als we een supermarkt tegenkomen (en dat gebeurt sinds Zambia steeds vaker) dan gaat de voltallige ploeg zich als kinderen in een speelgoedwinkel te buiten aan allerlei lekkers zoals melk, chocolade, vruchtensappen, yoghurt, koekjes, etc.
Zoals te verwachten is bij iets wat belangrijk is, wordt er ook veel over het eten gezeurd: de vegetariers vinden dat ze te weinig variatie krijgen, de vleeseters willen ook wel eens wat de vegetariers krijgen, iedereen vindt dat er tijdens de lunch te weing is, etc. Ik denk dat het niet uitmaakt wat je voorzet en hoe je het klaarmaakt, over eten zal tijdens een activiteit die zo veel van je vergt, altijd veel te doen zijn.
Nu we inmiddels meer dan drie maanden van huis zijn, beginnen de gesprekken steeds meer over gerechten te gaan die als eerste genuttigd gaan worden als je weer thuis bent. Dit kan uren doorgaan.
Wat je ook naar binnen krijgt, het is nooit genoeg om de verstookte energie helemaal aan te vullen. Als ik om me heen kijk (en als ik mijn eigen lijf bekijk) zie ik heel andere mensen dan die ik in Cairo voor het eerst ontmoette. Ik denk dat als ik weer thuis ben, ik voor het eerst van mijn leven aan een gewichtsprobleem moet gaan werken.